"Dear Friend, Nervous people are unbearable, and that's why you must forgive me." —letter from Claude Debussy to Louis Laloy, 8 March 1907. Arbie Orenstein, A Ravel Reader. Photo by Ronnie Pitman, via Flickr.
"Dear Friend, Nervous people are unbearable, and that's why you must forgive me." —letter from Claude Debussy to Louis Laloy, 8 March 1907. Arbie Orenstein, A Ravel Reader. Photo by Ronnie Pitman, via Flickr.

De volwording van de Franse klassieke muziek

Frankrijk, al vele eeuwen één van de belangrijkste landen in Europa, speelt in de klassieke muziek lange tijd een marginale rol. Roel Weerheijm duikt in het verleden om te ontdekken wat hier de achterliggende redenen van zijn. Daarbij vergelijkt hij de muziekgeschiedenis van Frankrijk met die van de grote muzieklanden. In dit derde deel komt de beroemde Franse muziektraditie tot volle bloei.

Eerder schreef ik over de negentiende eeuw als de bloeiperiode van de klassieke muziek, een tijd waarin muziek werd geschreven die toegankelijk, diepgaand, emotioneel en theatraal was, die de burgerlijke luisteraar uitdaagde én plezierde, en die nog altijd het relatief breedste publiek lijkt te bereiken.

In Deel 1 van deze serie bekeek ik de verschillen tussen Frankrijk en andere landen1 tijdens Middeleeuwen, Renaissance en Barok. In deel 2 keek ik naar de ontwikkelingen in de achttiende eeuw en, begin negentiende eeuw, het ontstaan van de Franse muziektraditie. In dit derde deel laat ik zien hoe die traditie tot zijn volle bloei kwam.

Frans-Duitse oorlog en het Franse nationalisme

An der schönen blauen Donau, Oostenrijks ‘alternatieve volkslied’, werd na het Oostenrijkse verlies in de oorlog tegen de Duitsers in 1866 geschreven, als morele steun voor het land. Op eenzelfde manier ontstond een Franse reactie op het verlies in de Frans-Duitse Oorlog (1871). Dit conflict, dat één van de lonten in het kruitvat van de Eerste Wereldoorlog zou zijn, had een felle reactie tot gevolg onder Franse musici: de nationale eenheid, moest nu óók in de klassieke muziek duidelijk worden uitgewerkt. De kiem van het nationalisme in de muziek kwam nu ook in Frankrijk uit met de oprichting van de ‘Société nationale de musique Française’. Het doel was het stimuleren van de positie van eigen, dus authentiek Franse klassieke muziek in het land en de cultuur.

Een passage uit een brief van de componist Camille Saint-Saëns legt goed uit hoe conservatief en merkwaardig anti-Frans de situatie vóór deze Société was:

‘Niet lang geleden had een Franse componist die avontuurlijk genoeg was om instrumentale muziek te schrijven, geen andere mogelijkheid om zijn werk uitgevoerd te krijgen dan het concert zelf te geven en vrienden en critici uit te nodigen. Het was hopeloos om zelfs maar aan het algemene publiek te denken. De naam van een componist die Frans én levend is, hoefde maar op een affiche te verschijnen om iedereen weg te jagen. Kamermuzieksociëteiten, destijds bloeiend, beperkten hun programma’s tot de lumineuze namen van Beethoven, Mozart, Haydn, Mendelssohn – en soms Schumann – als proeve van vermetelheid.’

De oprichting van de Société, op 25 februari 1871, geldt algemeen als de ‘renaissance’ van de Franse klassieke muziek. Wie waren de belangrijke componisten van wie op dat moment hun carrières werden ontplooid?

Camille Saint-Saëns (1835-1921) was dan ook Berlioz’ eerste en grootste opvolger. Zijn muziek is een scharnierpunt in de ontwikkeling van een eigen Frans muzikaal vocabulaire. Saint-Saëns’ oeuvre was veelzijdiger dan dat van Berlioz: naast een aantal opera’s en vijf symfonieën schreef hij concerten voor viool, piano en cello, concertstukken en veel kamermuziek. Vanaf het midden van de jaren 1850 bouwde hij aan zijn grote oeuvre. Daarin gebeurden veel dingen ‘voor het eerst’ in de Franse klassieke muziek: zo was Saint-Saëns’ Eerste Pianoconcert uit 1858 waarschijnlijk het eerste Franse pianoconcert ooit. Hij introduceerde dit prestigieuze genre, dat in andere landen al een eeuw bestond, in een sterk door Schumann beïnvloede stijl, die hij ook in zijn latere piano- en celloconcerten hanteerde. Saint-Saëns’ orkestwerken vonden aansluiting bij zowel de Franse als de Europese traditie en waren een bevestiging van de Franse ‘eigen’ muziek: behalve Schumann zou ook Liszt sterke invloed op zijn stijl en structuur uitoefenen. Waarin Berlioz niet slaagde, slaagde Saint-Saëns wel: zowel buiten als in Frankrijk een sturende muzikale factor zijn.

De ‘Société nationale de musique Française’ betekende in 1871 ook de doorbraak van de Franse kamermuziek. Daarin bestond na de Barok ook nog geen echte traditie. Saint-Saëns en zijn tijdgenoten zouden vele dozijnen kamermuziekwerken toevoegen aan het Franse repertoire. Pianotrio’s, -kwartetten en –kwintetten, strijkkwartetten, sonates en andere kamermuziekgenres die lange tijd vrijwel afwezig waren, konden vanaf nu als rijpe appelen worden geplukt. En ook hierin liep Saint-Saëns voorop: al vanaf de jaren 1850 publiceerde hij tientallen kamermuziekwerken, waarin hij voor Frankrijk baanbrekend werk verrichtte.

Maar er gebeurde meer, naast Saint-Saëns. De Franse klassieke muziek ontwikkelde zich eind negentiende eeuw in drie richtingen1.

De eerste richting is de eigen, Franse traditie, die dan al enkele decennia groeit. De Franse traditie moest het hebben van verfijning, subtiliteit, terughoudendheid en nuance. Het is een vrij behoudende traditie, omdat die Romantische uitgangspunten zoals uitdrukkingskracht combineert met Classicistische uitgangspunten van helderheid en structuur. Behalve Saint-Saëns horen de operacomponisten Charles Gounod (1818-1893) en Jules Massenet (1842-1912) bij deze stroming, en ook Gabriël Fauré (1845-1924), die vooral bekend werd van zijn kamermuziekwerken. Fauré genoot in Frankrijk een onaantastbare positie, hoewel hij buiten Frankrijk lang vrijwel genegeerd werd. Componisten die tot de Franse traditie worden gerekend, wisten aansluiting te vinden bij de Duitse traditie, met name bij Schumann, Brahms en Liszt, maar tegelijk de Franse subtiliteit te behouden.

De tweede richting komt deels gelijktijdig, deels na deze Franse traditie op, en is iets wereldser en progressiever van aard. Gebaseerd op de negentiende-eeuwse ontwikkelingen binnen Frankrijk slaagt een aantal componisten erin om het ‘Franse’ aan de Franse muziek sterker te verbinden met de buitenwereld. César Franck (1822-1890) staat aan de basis hiervan. Zijn muziek, maar ook die van zijn leerling Vincent d’Indy (1851-1931), staan met minstens een half been in het fin-de-siècle: hun harmonieën zijn vloeiender en verlaten de dramatische en emotionele intensiteit van de negentiende eeuw om langzaam plaats te maken voor de meer dissonante intensiteit van de vroege twintigste eeuw. Onder meer Wagner was voor beiden een grote inspiratiebron. Achteraf bezien vormt deze richting een ‘tussenrichting’.

Frans Modernisme

Eind negentiende eeuw doet Frankrijk dus volop mee in de Europese klassieke muziek. Maar Franse componisten, musici en critici blijven gedurende de hele negentiende eeuw nog met argusogen naar Duitsland en Oostenrijk kijken. De meest fundamentele ontwikkelingen komen immers dáár vandaan, door componisten die in die ononderbroken muziektraditie staan en bovendien sterk filosofische opvattingen over muziek hebben. Dat begon in feite al bij Haydn, maar zijn leerling Beethoven vestigde zijn naam permanent, door vrijwel alle regels van de klassieke muziek naar zijn filosofische inzicht te plooien. Na hem was er voor geen enkele musicus nog een ontkomen aan Beethoven, ook aan Wagner niet, die de opera- en orkestmuziek eveneens zo fundamenteel naar zijn hand zette. Wagner vestigde zo, naast Beethoven, zijn onsterfelijke invloed op de muziek. Ook voor de Fransen zijn Beethoven en Wagner, en in vrijwel gelijke mate Liszt, van doorslaggevende invloed op hun muziek.

Maar net als in de rest van het westen broeit begin twintigste eeuw ook in Frankrijk het Modernisme. Rond de Eerste Wereldoorlog versplintert het wereldwijde muzikale landschap en zijn de roem en onwrikbare autoriteit van Beethoven en Wagner niet meer voor iedereen even vanzelfsprekend.

De derde richting waarin Franse klassieke muziek zich ontwikkelt, komt in het fin-de-siècle op en ontstaat uit de eerder besproken eerste en tweede muzikale richting. Fauré bleek daarin al een wegbereider te zijn.

De bekendste moderne Franse componist is Claude Debussy (1862-1918), wiens muziek ten onrechte voor ‘impressionistisch’ wordt versleten. In feite schreef hij heel eigenzinnige muziek die het klassieke model van toonsoorten verliet voor iets wat je ‘harmonische sferen’ zou kunnen noemen. Daarin was hij niet de enige, maar wél een heel belangrijke componist. Zijn muziek heeft een heel dromerig, dwalend, exotisch en schilderend karakter (vanwege dat laatste noemt men het ‘impressionisme’). Hoewel Debussy enkele min of meer ‘klassieke’ werken schreef, zoals een strijkkwartet, grossierde hij in vrije, fantasierijke stukken, voor orkest én voor piano. Het Franse eraan is de subtiliteit, de nuance, de eindeloze schakeringen. Het wereldse eraan is de grootse, universele kwaliteit, dat wereldwijd aansloeg en overal invloed had.

In zijn kielzog werd ook Maurice Ravel (1875-1937) een gevierd componist. Zijn stijl wordt vaak gekoppeld aan Debussy, maar dat is niet terecht. Ravel schreef weliswaar ook muziek in ‘harmonische sferen’, maar zijn muziek is naast dromerig vaak bitser, hoekiger, satirischer. Hij was vooral erg sterk in zijn eigen draai of interpretatie geven van andermans werk, bijvoorbeeld door orkestraties (zoals de beroemde ‘Schilderijen van een tentoonstelling’), maar ook door stijlimitaties (zoals de reeds genoemde ‘Le tombeau de Couperin’).

Snel daarna ontstond de ‘Groupe des six’, een groep van zes Modernistische componisten, van wie Francis Poulenc de bekendste zou worden. De roem van de eigenzinnige Debussy, gevolgd door de generatie van de ‘Groupe des six’, maakt van de Franse klassieke muziek vanaf ongeveer 1900 een echt eigen, diverse, volwassen wereld. Debussy en Poulenc, maar ook hun opvolgers zoals Pierre Boulez en Olivier Messiaen, zijn als authentiek Franse componisten te beluisteren, sterker nog: Boulez en Messiaen kunnen in het midden van de twintigste eeuw gezien worden als wereldwijd toonaangevende musici.

Werden in verleden eeuwen muziekstromingen soms door één of twee landen gedomineerd, in de twintigste eeuw is oude én nieuwe klassieke muziek mondiaal erfgoed geworden. Frankrijk is sinds ongeveer 1900 een volwaardig onderdeel van die muziekwereld.

 

Noten

1 Zie voor een kort, maar helder overzicht van dit hoofdstuk van de Franse muziek Donald J. Grout en Claude V. Palisca, Geschiedenis van de westerse muziek (1994)

 

Roel Weerheijm
Over Roel Weerheijm 24 Artikelen
Roel Weerheijm (°1983) is Neerlandicus. Hij was redacteur van literair tijdschrift Kluger Hans en Meander en publiceert gedichten in o.a. Gierik-NVT, Tortuca, Extaze, Deus ex Machina en diverse bloemlezingen. Hij droeg zijn gedichten voor op diverse podia en poëziefestivals, waaronder Dichters in de Prinsentuin en Noorderzon. Daarnaast schrijft hij recensies en interviews voor Tzum, Awater, Ons Erfdeel en de Poëziekrant. Een dichtbundel en meerdere romans zijn in de maak.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*