Protest

Het brood is op

Roel Weerheijm reflecteert over hoe de vrijheid van meningsuiting op de spits wordt gedreven in het publieke debat. 

Marie-Antoinette, de achttiende-eeuwse aristocraat van Oostenrijk, is een roemrucht citaat over brood en brioches in de mond gelegd. Ze wist niets van de hongersnoden onder de bevolking. Dat citaat was symbolisch voor de houding van veel toenmalige machthebbers en bleek een waterscheiding: de politieke consequenties van de achttiende eeuw werden merkbaar. Alle idealen en de dominante filosofieën van die eeuw, maar ook de onvrede met de aristocratie die geen idee had van het leven dat het volk leidde, hadden de Franse Revolutie tot gevolg, die de macht bij het volk moest brengen.

Gedurende de negentiende eeuw is er vooral getouwtrek geweest tussen de aristocratie, die de macht wilde behouden, en de snel groeiende emanciperende en democratiserende bewegingen (socialisme, communisme, liberalisme) die de nieuw verworven macht wilde consolideren in burgerrechten en vrijheden. Begin twintigste eeuw werd het pleit, dat een van de thema’s van beide wereldoorlogen was, definitief verloren door de aristocratie, die weliswaar op de achtergrond een politieke macht behield, maar vooral dienstbaar was aan het volk.

Prometheus heeft gewonnen.

Nederland is intussen al zo lang zo vrij, zo rijk en zo stabiel dat we vervreemd zijn geraakt van de grondwaarden waarop ons land is opgebouwd. Met name de precieze betekenis van de felbevochten “vrijheid van meningsuiting”, vooral bepleit door mensen die hem gebruiken om anderen ermee uit te sluiten, lijkt te zijn vergeten. Daarom:

Onder andere deze aspecten zijn in de wet kristalhelder geformuleerd. Daarom is de dagelijkse realiteit van populisme, ongebreidelde haat, racisme en seksisme, in en buiten de social media, met louter een beroep op de vrijheid van meningsuiting als rechtvaardiging, steeds verbijsterender. De vrijheid van meningsuiting is niet bedoeld om haat, racisme en seksisme te verspreiden of te bevorderen.

Op de social media circuleert al maanden een aforisme dat weliswaar niet in een grondwet is vastgelegd, maar alleszins deel is van de Joods-Christelijk-Islamitisch-Boeddhistisch-atheïstisch-humanistische wortels van de West-Europese samenleving:

Citaat Stef Bos via Omdenken
Citaat Stef Bos via Omdenken

Je absolute plicht om ongelimiteerd te beledigen

Er is me na veel jaren van ophef over het recht op vrijheid van meningsuiting, al ver voor de moord op Pim Fortuyn, een wetmatigheid opgevallen: hoe feller het recht op vrijheid van meningsuiting wordt bepleit, hoe minder duidelijk de pleitbezorger onderscheid maakt tussen allerlei essentiële verschillen. Daarmee schiet de pleitbezorger zichzelf in de voet. Kort door de bocht is bij een aantal mensen een idee over de vrijheid van meningsuiting ontstaan als “je absolute (en ongelimiteerde) plicht om ongelimiteerd te beledigen”. In de Nederlandse naoorlogse politiek zijn, vanaf het begin van de politieke carrière van Pim Fortuyn, de felste pleitbezorgers van de vrijheid van meningsuiting gericht op het uitsluiten van (groepen) mensen. De pleitbezorgers kunnen politici zijn, maar ook stemmers, commentatoren of opiniemakers. Voor hen is de uiting van die “mening” het doel geworden, niet een middel om een ander doel mee te bereiken.

Rita Verdonk schopte op 20 november 2004 een mediarel omdat een imam weigerde haar een hand te geven. Wat had Rita Verdonk gedaan als het geen imam was, maar een rabbijn? Immers, ook in het orthodoxe Jodendom geeft men in principe ook geen handen. Het was goedkope en selectieve verontwaardiging, Verdonk moet er, gezien haar politieke agenda, bewust voor hebben gekozen om deze rel te schoppen, met een moslim als slachtoffer.

Drie weken daarvoor werd Theo van Gogh vermoord. Interessant detail was dat Van Gogh zijn belager beantwoordde met de vraag: “We kunnen er toch over praten?” Het suggereert dat hij openstond voor discussie, waar ik onder versta: een empathische uitwisseling van gedachtes en visies. Hoewel hij veel meer was dan alleen een fulminerende Metro-columnist, was aan zijn publieke verschijning duidelijk te merken dat hij een empathische uitwisseling van gedachtes en visies strikt afwees. De publieke versie van Van Gogh was een radio, die stond afgestemd op een pestende, provocerende, beledigende DJ. Zijn vaste reactie op vragen of hij niet te ver ging: “Ik mag dat toch zeggen? Van de wet mag dat hoor.” Zijn film Submission, waarin Van Gogh de Islam in al zijn facetten en stromingen reduceerde tot louter een religie die vrouwen zou reduceren tot seksslavinnen, miste alle mogelijkheden om een inhoudelijk en genuanceerd debat over de positie van de vrouw in de islam aan te zwengelen. Wat overbleef was een voor vele moslims zeer kwetsend vooroordeel van een blanke man met een grote bek.

Van Gogh genoot als columnist en artiest een grotere vrijheid, een voorrecht dat ook geldt voor bijvoorbeeld cartoonisten als Kurt Westergaard en provocatieve cabaretiers als Hans Teeuwen en André Manuel. Maar ook cartoons, columns en cabaretvoorstellingen communiceren: hun makers zijn geen radio’s. Je vrijheid gebruiken om te beledigen levert daarom per definitie situaties op waarin je de communicatie moet vervolgen. Een belediging wekt diverse geprikkelde reacties op, zodat de belediging effect heeft, maar die vereist alleen al daarom een constructief vervolg. Dat blijkt uit het omgekeerde: als een belediging geen vervolg krijgt en op zichzelf staat, is hij gratuite en dus nutteloos. Maar hij is niet ongevaarlijk: een belediging raakt altijd mensen. En hoe vaker columnisten en cabaretiers kwetsbare groepen als mikpunt van hun beledigingen misbruiken, hoe dieper het ressentiment.

Daarom: hoewel geweld of zelfs moord nooit het antwoord mogen zijn op woorden, pleit de moord op van Gogh zijn beledigingen niet vrij. Nogmaals, de vrijheid van meningsuiting is een middel, geen doel. Dus waar gebruik je dat middel voor als je ervoor kiest om mensen te beledigen? En wat wil je ermee bereiken als je beledigen de plaats laat innemen van communicatie?

Die vraag is ook gericht aan Ayaan Hirsi Ali, die zich tien jaar geleden sterk maakte voor een nooit helder geformuleerd en onderbouwd “recht om te mogen beledigen”. Eerst ging het haar om beledigen, dan weer om beledigen binnen de grenzen van de wet. Het is maar één van de essentiële onduidelijkheden in haar betoog die ze in stand laat. En daar komt haar pleit nog bij voor het verplicht afdrukken van enkele, voor moslims kwetsende cartoons om… ehh ja, om wát te bereiken? Ook dat blijft in het midden, maar constructief kan het in ieder geval niet zijn, want wie wél het fatsoen hadden om de cartoons niet af te drukken “verbergen” volgens Hirsi Ali “hun geestelijke mediocriteit achter nobel klinkende principes zoals ‘verantwoordelijkheid’ en ‘gevoeligheid’.” Hirsi Ali wilde dus met het verplicht afdrukken van de cartoons iets onverantwoordelijks en gevoelloos bereiken. Maar concreet werd het niet, behalve Hirsi Ali’s machteloze verbetenheid.

Een variant van deze treurige geschiedenis vond plaats na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, toen heel het westen wederom op de bres sprong voor het vrije woord en precies datgene deed wat Al-Qaeda en Daesh zo graag wilden: opnieuw werden, onder het mom van het beschermen van de “vrijheid van meningsuiting”, vele tientallen kwetsende cartoons gepubliceerd, die opnieuw een aantal gematigde moslims de extremistische kant op hebben geduwd.

Het feit dat we de aanslag op Charlie Hebdo hebben geïnterpreteerd als een acute crisis voor de vrijheid van meningsuiting, maar vooral het feit dat er zo kortzichtig is gereageerd door ostentatief meer kwetsende cartoons te publiceren, toont aan dat we niet meer weten hoe we met vrijheden moeten omgaan. Het was Westergaard op herhaling – en dát had het Westen al hard wakker moeten schudden. Als je weet dat bijvoorbeeld het afbeelden van Mohammed beledigend is voor veel mensen, waarom zou je dat dan toch doen? We moeten constructiever en empathischer nadenken over de gevolgen van mogelijk kwetsende uitingen.

Belletje trekken bij de boze buurman

Ook columniste Ebru Umar is een hartstochtelijk pleitbezorger van het vrije woord met als enige doel treiteren en beledigen van alles wat niet bij haar visie aansluit. Ook zij is daarmee deel van het probleem met interpreteren van en omgaan met de vrijheid van meningsuiting.

Heel recent veroorzaakte haar arrestatie in Turkije veel ophef. Vorig jaar reageerde Umar in het EO-radioprogramma Dit is de dag badinerend op collega-journalist Fréderike Geerdink, die na enkele arrestaties vanwege haar journalistieke werk uiteindelijk uit Turkije werd gedeporteerd. Volgens Geerdinks advocaat gebeurde dat met als reden ’hulp aan een terroristische organisatie’, omdat ze verslag deed van het werk van Koerdische activisten die tussen de PKK en het Turkse leger staan. Echter, volgens een Turkse official reageerde men zo omdat Geerdink gevaar zou lopen bij het voortzetten van haar werk.

Ebru Umar was niet in Turkije toen ze via twitter herhaaldelijk kritiek uitte op het regime van Erdogan. Maar Umar wist heel goed hoe de situatie in Turkije was. Ze had bij Geerdink gezien wat de risico’s zijn als je je als journalist bezighoudt met onderwerpen die de Turkse regering niet aanstaan. Sterker nog, ze heeft Geerdink die risico’s zelf nog onder de neus gewreven. Dat de columniste bij het volle bewustzijn toch besloot om naar Turkije te gaan, wijst erop dat ze bewust aanstuurde op haar arrestatie. Het deed me terugdenken aan de reis naar Londen die Wilders in 2009 maakte, om aan te tonen wat heel Nederland, inclusief hijzelf, al lang wist: dat hij Engeland niet in zou komen om zijn film ‘Fitna’ te vertonen. Net als Umar in april wilde Wilders hier goedkoop punten scoren. Wilders’ ogenschijnlijke kortzichtigheid beweegt hem wel vaker tot een strategie van nederlagen. Wilde Umar een hapje van dezelfde nederlagentaart?

Zowel Umars reis naar Turkije als Wilders’ reis naar Londen ogen nogal kleuterachtig, zoals kleine kinderen die belletje trekken bij de boze buurman, in de volle wetenschap dat die buurman ze woest achterna zal rennen. Umar en Wilders trapten open deuren in met hun heen-en-weergereis. En beide gebeurtenissen tonen, net als mijn eerdere voorbeelden, aan dat de vrijheid van meningsuiting door de felste pleitbezorgers misbruikt wordt om te zenden, want enig doel van het gebruik van dat middel was of afwezig, of al lang aangetoond.

De meningsvrijheid in crisis?

Nee, de “vrijheid van meningsuiting” is zelfs na het geweld tegen o.a. Theo van Gogh, Kurt Westergaard en Charlie Hebdo niet in een crisis beland. We kunnen nog steeds alles zeggen wat we willen. Maar ons begrip ervan, en onze manier van ermee omgaan is echter wél flink veranderd. Het Westen blijft kritiekloos een podium geven aan Van Gogh, Westergaard, Hirsi Ali, Umar, Wilders en andere mensen die de vrijheid van meningsuiting alleen maar misbruiken om te beledigen zonder daar gevolg aan te geven. En na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo is het Westen zelfs niet te beroerd om volkomen hypocriet om te gaan met de standpunten en de receptie van Charlie Hebdo: voor de aanslagen lag het blad financieel op sterven na dood, vrijwel niemand was erin geïnteresseerd en vrijwel iedereen vond het storend en kwetsend. Maar sinds de aanslag heeft het blad opeens een miljoenenbestand, puur omdat het blad het vrije woord zo hartstochtelijk predikt.

Pas lang na de Franse Revolutie heeft het volk democratisch brood weten te verkrijgen, waarmee een democratische hongersnood werd beëindigd. Onze vrijheden zijn jong en precair, we hebben ze met veel moeite verworven. Maar nu, na enkele generaties vrede en veiligheid, hebben we steeds minder duidelijk begrip van onze vrijheden, van hun plaats in onze samenleving. Nu krijgen mensen een podium die onze vrijheden zonder constructieve intenties bepleiten en die een exclusieve samenleving, belediging, haat en discriminatie voorstaan. Dát brengt onze vrijheden echt in gevaar.

Kortom: het brood is op.

Roel Weerheijm
Over Roel Weerheijm 24 Artikelen
Roel Weerheijm (°1983) is Neerlandicus. Hij was redacteur van literair tijdschrift Kluger Hans en Meander en publiceert gedichten in o.a. Gierik-NVT, Tortuca, Extaze, Deus ex Machina en diverse bloemlezingen. Hij droeg zijn gedichten voor op diverse podia en poëziefestivals, waaronder Dichters in de Prinsentuin en Noorderzon. Daarnaast schrijft hij recensies en interviews voor Tzum, Awater, Ons Erfdeel en de Poëziekrant. Een dichtbundel en meerdere romans zijn in de maak.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*